‘Jacco Verhaeren loste veel voor mij op. Daarna moest ik het zelf doen’

media_l_2220880

Dit was een subkop van het overzicht in de Volkskrant afgelopen zaterdag over het tussenjaar van Ranomi Kromowidjojo. De regie nemen (maar hoe?) over je eigen sportproces; dat is het exact waar Buildinging Learning Power het ook over heeft maar dan over ‘leren’. Wat kunnen we in de sport van dit Britse goed lopende concept opsteken?

In mijn vorige blog liet ik dit model al eens zien. ‘Building Learning Power’ is ontwikkeld door professor Guy Claxton. Hij gaat uit van het trainen van ‘leerspieren’.  Deze 17 leerspieren zijn in 4 gebieden onderverdeeld en bevatten Veerkracht (emotionele aspecten), Vindingrijkheid (cognitieve aspecten), Reflectief vermogen (strategische aspecten) en Interactie (sociale aspecten). Uiteraard is het model een systeem en van elkaar afhankelijk; vragen stellen heeft ook te maken met luisteren en reflectief vermogen enz. Zelfregulatie + leren en begeleiden vanuit een ‘growth mindset’ zijn binnen BLP essentieel (zie vorig blog).
Brein poster NL marks

Building Sports Power?
Bij de Veerkracht kant is het in het leren belangrijk dat je klaar bent en de wil hebt om je te verbinden aan het leren’. In de sport kan je dus vertalen of ‘je klaar bent en de wil hebt om commitment te geven aan jouw sport’.
Jouw aanwezige (natuurlijke)capaciteiten die je daarbij moet inzetten en ontwikkelen zijn:
– aandacht houden (flow; het plezier om in vervoering te zijn van leren),
– hanteren van afleidingen (het herkennen en reduceren van onderbrekingen),
– doorgronden (echt aftasten/voelen wat er is) en
– doorzettingsvermogen (vasthoudend; de gevoelens die bij het sporten horen, toestaan).

Bij scholen waarmee ik dit schoolontwikkelingsmodel begeleid, is het de bedoeling dat je als professional (de leerkracht) ook nagaat hoe staat met je eigen veerkracht; je bent immers ‘model’ voor leerlingen. Wat doe jij als je het even iet weet? Kinderen moeten zelf leren om gaan met onzekere momenten; het ‘vastlopen’, wordt daarbij gezien als het ultieme startmoment van het eigen  leren. Hoe zit dat bij jou als trainer/coach? Wat laat jij zien als je vastloopt in de training? Deel je deze ‘onzekerheid’? Vraag je de groep om mee te denken?

Strategieën
Wat zijn dan bijvoorbeeld strategieën die sporters kunnen inzetten om beter te kunnen doorzetten? Een eerste vraag als trainer/coach kan zijn om de sporter zelf als bron te gebruiken en hem/haar te vragen wat hem of haar helpt om door te zetten. Een tweede idee is om het vaker met je sporters te praten over de ‘comfort, stretch en stress zone’.

comfort-zone-for-web

In de comfortzone voel je fijn, maar gebeurt niet iets nieuws of extra’s. Het is leunen op dat wat je al beheerst; hier vind geen ontwikkeling plaats. Wanneer je in de stress zone zit (en wellicht daarna in de ‘panic zone’), vind er ook geen maximale prestatie plaats. De kans bestaat zelfs dat je volledig dicht slaat en blokkeert. Het gebied waar ontwikkeling plaatsvindt, zit in de stretch zone; daar ga je de (persoonlijke) prestaties oprekken en verbeteren. (jonge)Sporters kunnen prima zelf aangeven in welke zone ze zitten; zij moeten zelf gaan na denken hoe ze uit die comfortzone en stress zone kunnen komen.
Als trainer probeer je via taal de regie aan de sporter te geven; hij of zij is de eigenaar van zijn ontwikkelingsproces. Wat gaat je helpen om uit je comfortzone te komen? Wat kan je doen om niet in paniek te raken? Wat heb je van mij nodig?

De taal die een trainer coach gebruikt, is dus erg belangrijk, zeker bij jeugdspelers. Het maakt bijvoorbeeld een wereld van verschil voor een sporter als je zegt ‘dat je daar niet aan toe bent’, of ‘niet kunt’, of dat je zegt ‘dat je daar NOG niet aan toe bent, of NOG niet kunt’.

Het effect van deze benadering is dat sporters zich niet laten kennen als ze vastlopen (hoort namelijk bij het proces), dat hij of zij niet gefrustreerd raakt als er spanning zit in een wedstrijd.

Ook bij het omgaan met afleidingen (wat trouwens door een ieder verschillend wordt ervaren), is het goed om te vragen aan de sporter wat hem of haar helpt. Wat kunnen we doen om je te laten focussen op hetgeen wat je aan het doen bent? Hoe kan je ons laten weten dat we je afleiden?

Als trainer/coach moet je over een aantal zaken goed nadenken:
– wat laat ik als trainer/coach zien? Wat model ik als voorbeeld voor mijn groep?
– Hoe bedenk ik trainingsvormen waarbij ik naast technische kant ook de veerkracht kant train?  (een van de vormen die ik bij de volleybaltraining wel gebruik, is een slotpotje niet bij 0-0 te laten beginnen, maar bij 20-20. Hiermee wordt er glijk spanning op het spelletje gelegd. Wat helpt je om je te ontspannen?)
– Hoe doe ik dat in taal en hoe geef ik feedback tijdens een training en wedstrijd? Stimuleer ik hiermee de ‘growth mindset’ en de zelfregulatie van de sporter?
– Hoe beoordeel ik de prestaties en ontwikkeling van mijn sporters? Laat ik ze die zelf ook beoordelen?

Tot slot een mooi recent  voorbeeld van de veerkracht kant van een sportster. Susan Kuijken wint brons op de 5000 meter in Zürich en geeft aan dat het kleine beetje extra kracht wat ze nodig had om 3e te worden, kwam omdat haar overleden jeugdtrainer Has van Cuijk  ‘bij haar was’. De van hem nog cadeau gekregen oorbellen, die ze tijdens de race in had, moedigden haar aan om niet op te geven. ‘Ik ben geslaagd voor een test in doorzettingsvermogen’, lachte ze na haar race.

Het interview met Susan na haar race

http://nos.nl/video/687289-kuijken-voor-mijn-geen-verrassing.html

 

Reacties staat uit voor ‘Jacco Verhaeren loste veel voor mij op. Daarna moest ik het zelf doen’